Tegendraads in uranium

Tegendraadse investeringen houden enkel steek wanneer er ook effectief goede redenen zijn om tegendraads te zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de prijs van een bepaald actief de huidige of toekomstige situatie verkeerd inschat. Deze inschatting kan zowel te optimistisch als te pessimistisch zijn. Op de grondstoffenmarkten is het (on)evenwicht tussen vraag en aanbod een belangrijke fundamentele parameter die in de meeste gevallen (goud is de bekendste uitzondering!) ook de prijs bepaalt. Een verkeerd beeld over de toekomstige vraag- en aanbodevolutie kan dus voor een scheeftrekking zorgen. Los van fundamentele redenen kan ook het marktsentiment roet in het eten gooien.

Zonder concreet voorbeeld klinkt het bovenstaande nogal academisch. Vandaar dat we u niet langer in spanning willen houden en onthullen dat we momenteel een tegendraadse visie op uranium hebben. Om begripsverwarring te voorkomen: het gaat in wat volgt niet om uranium als oorlogstuig maar wel om brandstof voor kerncentrales die elektriciteit opwekken. Tri-uranium octoxide of U3O8 is de correcte wetenschappelijke naam, ook wel vereenvoudigd als uraniumoxide of yellowcake omschreven.

yellowcake

Een blik op de prijsgrafiek van kernbrandstof laat meteen de piek van 2007 opvallen. Na die speculatieve ‘spike’ ging het geleidelijk bergaf maar in 2010 vond uranium zijn tweede adem. Dit prijsherstel werd echter abrupt afgebroken door de nucleaire ramp in het Japanse Fukushima in 2011. Daarna was het hek helemaal van de dam en volgde een nieuwe daling tot minder dan 30 dollar per pond in 2014. Uranium leek op dit niveau een bodem te hebben gevonden maar daalde half augustus opnieuw naar minder dan 25 dollar, het laagste niveau sinds 2005!

Volgens een studie van het Internationaal Energie Agentschap (IEA) zal de globale vraag naar elektriciteit de komende 20 jaar met de helft toenemen. De Amerikaanse Energy Information Administration ziet de hoeveelheid opgewekte nucleaire energie zelfs verdubbelen tegen 2040. Eén en ander zal het huidige marktevenwicht sterk beïnvloeden. Volgens cijfers van de World Nuclear Association waren er op 1 augustus 445 nucleaire reactoren operationeel. Er zijn ook 61 centrales in aanbouw waarvan ongeveer twee derden de komende 5 jaar in gebruik worden genomen. Alleen al in Azië wordt voor 800 miljard dollar (!) aan nieuwe reactoren gebouwd. Grootste groeier is China met 34 reactoren in bedrijf in 20 in aanbouw. Tegen 2025 moeten in China 86 reactoren operationeel zijn. Daarnaast trekken ook Rusland en India volop de nucleaire kaart met respectievelijk 8 en 6 reactoren in aanbouw. Zelfs Japan heeft, om budgettaire redenen, kernenergie terug omarmd. De Japanse regering wil tegen 2030 20 tot 22 procent van de elektriciteit opwekken door middel van kernenergie. Van een volledige kernuitstap is dus hoegenaamd geen sprake.

De bestaande kerncentrales gebruiken gezamenlijk 174 miljoen pond uranium. Verwacht wordt dat tegen 2025 dat de globale consumptie door de bijkomende centrales zal oplopen naar 220 miljoen pond uranium. Daar staat een mijnproductie van 140 miljoen pond tegenover, aangevuld met een deel gerecycleerd uranium. Door de lage prijzen wordt al jaren nauwelijks geïnvesteerd in nieuwe capaciteit. Deze cijfers zijn niet nieuw, maar toch blijft de uraniumprijs hardnekkig laag! Dit is vooral een sentiment-gedreven kwestie. Het sentiment wordt onder meer negatief beïnvloed door de vertraagde opstart van de Japanse kerncentrales. In 2015 zag het er nochtans vrij goed uit toen de Japanse regering het vertrouwen in kernenergie bevestigde maar sindsdien werden slechts 2 van de 35 centrales heropgestart. De bevolking blijft erg verdeeld en talrijke organisaties maakten daarvan gebruik om een veelvoud van juridische procedures aan te spannen die de heropstart vertragen. Daarnaast blijven uitbaters van kerncentrales aan de zijlijn staan omdat de voorraden vooralsnog hoog genoeg zijn en ze op aanhoudend lage(re) prijzen rekenen. Het afsluiten van nieuwe langetermijncontracten wordt uitgesteld om nog gunstiger voorwaarden te kunnen afdwingen.

uxc_graph_u3o8

Het gebeurt niet zo vaak, maar sommige investeringsopportuniteiten worden wel degelijk op een presenteerblaadje aangeboden. Men moet ze alleen willen zien. Een grondstof waarbij het evenwicht tussen vraag en aanbod steeds krapper wordt en waarvan de prijs in meer dan 11 jaar niet meer zo laag stond: veel mooier dan dit wordt het als investeerder niet. In het slechtste geval laat het herstel nog enkele kwartalen op zich wachten. Maar het neerwaartse prijsrisico is vanaf dit niveau wel heel beperkt.

Inspelen op een hogere uraniumprijs kan…

“Tegendraads in uranium” verder lezen

Over goud en koopkracht

David en Mike zijn 2 broers uit Leicester, een middelgrote Engelse stad behorende tot het East Midlands district. Beide prille veertigers maken deel uit van de zogenaamde hogere middenklasse, een omschrijving voor de sociale categorie die het geld weliswaar niet door deuren en ramen moet gooien maar wel comfortabel kan rondkomen en zelfs nog wat ruimte over heeft om te sparen.

David komt meestal niet verder dan de sportpagina’s van de lokale krant en het weinige economische nieuws dat hij oppikt, zijn de schreeuwerige titels van de tabloids waar bitter weinig plaats is voor nuance. David is ook een koele minnaar van het Europese project en behoorde net als de meerderheid van de inwoners van de East Midlands tot het ‘Leave’ kamp. Deze groep haalde uiteindelijk hun slag thuis, wat tot de veelbesproken Brexit leidde. Wat overblijft van het gezinsinkomen na betaling van de hypotheeklening en alle andere vaste of variabele kosten, komt klassiek op de ‘savings account’ of spaarrekening terecht. Een deeltje zit ook in vastrentend papier. Als trouwe meezinger van ‘Rule, Britannia! Britannia, rule the Waves!’ denkt geen van de weinige overgebleven haren op David zijn hoofd eraan om zijn spaarpot te diversifiëren naar een andere munt dan het Brits pond.

20milmillones

Mike was altijd al de slimste van de twee broers en hij besloot zich in aanloop naar de Brexit stemming wat beter te informeren, buiten de klassieke propaganda waar zowel het ‘Leave’ als het ‘Remain’-kamp de Britse bevolking mee bestookte. Mike verdiepte zich in de werking van het financiële systeem en kwam tot de conclusie dat er iets grondig scheef mee zit. Aanhoudende monetaire stimuli zorgen niet voor een hogere en duurzame economische groei maar leiden alleen tot een verdere daling van de rente en hogere activaprijzen. Niemand zat dan ook te wachten op extra onzekerheid die een uitstap uit de Europese Unie met zich zou meebrengen.

Voor Mike was het glashelder: het stond in de sterren geschreven dat de markten het Brits pond zouden afstraffen bij een Brexit. Het bleef niet bij analyseren alleen. Mike zag de bui hangen en zocht naar een manier om zichzelf in te dekken tegen de mogelijke gevolgen. Hij vond die door het grootste deel van zijn spaargeld, dat tot dan toe op dezelfde manier was belegd als bij zijn broer David, om te zetten naar fysiek goud. Mike besefte maar al te goed dat hij zich met goudmetaal de facto buiten het financieel systeem zette. Dit was ook exact de bedoeling. Goud is al duizenden jaren een universeel waarde-opslagmiddel (overal ter wereld kun je met goud terecht) en heeft in tegenstelling tot alle financiële activa geen enkel tegenpartijrisico.

De resultaten zijn intussen gekend. Ondanks Mike zijn ‘Remain’ stem won het Brexit kamp en kelderde het Brits pond. De verhouding tussen de Britse munt en de Amerikaanse dollar is intussen onder 1,3 teruggevallen. Een jaar eerder noteerde de GBP/USD verhouding nog aan 1,7 en in 2007 zelfs boven 2. Tegenover de EUR is de schade iets minder groot omdat de Europese eenheidsmunt vanuit internationaal standpunt ook zelf niet ongeschonden uit het referendum kwam. Toch daalde ook de GBP/EUR van boven 1,4 eind vorig jaar naar 1,16 nu.

gbp

Samen met het Brits pond nam ook de koopkracht van David zijn spaarcenten en flinke duik. Een goedkopere munt maakt geïmporteerde goederen duurder. Dit geldt voor de olieproducten die David verbruikt, de auto die hij binnenkort van plan is te kopen en eigenlijk alles wat direct of indirect geïmporteerde goederen bevat. Ook de vakantie naar euroland Spanje werd plotsklaps een flink stuk duurder voor David en zijn gezin.

Mike daarentegen lacht in zijn vuistje. De goudprijs steeg sinds begin dit jaar 23 procent in euro en 26 procent in Amerikaanse dollar. Maar uitgedrukt in Brits pond werd het gele metaal zelfs 44 procent duurder. Het extra rendement op goud compenseert dus ruimschoots het valutaverlies. Mike heeft zijn koopkracht dus niet alleen op peil weten te houden maar kon deze zelfs verhogen!

Sneu voor David en goed voor Mike, maar het kan allemaal ook nog een stuk erger. Daarvoor gaan we enkele jaren terug naar IJsland. In 2008 kwam het land niet in het nieuws omwille van de prestaties van het nationale voetbalelftal maar wel omwille van de ineenstorting van het banksysteem na de crisis in 2007 en 2008.

Tijdens de eerste jaarhelft van 2008 daalde de waarde van de IJslandse kroon met 35 procent tegenover de euro. Tegelijk scheerde de inflatie hoge toppen met een stijging van de consumentenprijzen die piekte op maar liefst 15 procent. We kunnen David en Mike uit het Britse voorbeeld vervangen door Ragnar en Gunnar. Ragnar, die in het systeem bleef, was –samen met vele anderen- de schlemiel van dienst en zag zijn koopkracht onderuit gaan. Voor Gunnar, die tijdig uit het systeem stapte en zijn IJslandse kronen inwisselde tegen fysiek goud, was er geen vuiltje aan de schone IJslandse lucht.

17651-iceland-flag-pv

Nog extremer ging het er aan toe in Argentinië. Het land bezweek eind 2001 onder haar gigantische schuldenlast. De overheid besliste die schuld niet langer terug te betalen (debt default) en de koppeling tussen de Argentijnse peso en de Amerikaanse dollar werd losgelaten.

Argentinië werd na de default enkele jaren internationaal een paria-staat en overgeleverd aan de marktwerking daalde de waarde van de peso binnen de kortste keren met 75 procent. Later stabiliseerde de munt en werd een koers van 3 peso voor 1 dollar overeengekomen.

Rampzalig voor alle Carlossen en Maria’s die hun tegoeden op dat moment volledig in peso’s aanhielden. Het duurde verschillende jaren eer de economie er dank zij de goedkopere munt en de groeiende export terug wat bovenop kwam. Juan-Martin, Catarina en andere fysieke goudbezitters zagen niet alleen hun koopkracht intact blijven maar konden bij de start van de economische heropleving ook waardevolle activa aan bodemprijzen inslaan.

Argentina-1891-Bill-0.05-Obverse

We kunnen u nog verschillende andere voorbeelden geven uit de recente en minder recente monetaire geschiedenis, maar welke lessen kunnen we nu trekken van deze 3 voorbeelden uit het Verenigd Koninkrijk, IJsland en Argentinië?

“Over goud en koopkracht” verder lezen

Investeringen in grondstoffen nemen voor het eerst in 4 jaar terug toe

Het hangt een beetje af van welke index als referentie wordt genomen, maar algemeen beschouwd behoren de grondstoffen dit jaar tot de sterkst presterende activaklasse. De Bloomberg Commodity Index (BCI) klom tijdens de 7 eerste maanden van dit jaar met 6,5 procent tegenover verliezen van 22 en 23 procent in respectievelijk 2014 en 2015. De S&P GSCI grondstoffenindex presteert een stuk minder goed met zelfs een klein negatief rendement maar dit heeft te maken met het hoge aandeel van ruwe olie in de index. Sinds begin juni is de olieprijs opnieuw met een kwart gedaald. Dit zorgt voor een scheeftrekking in de index want met name de metalen (industriële metalen en edelmetalen) en ook enkele landbouwgrondstoffen presteerden dit jaar goed tot uitstekend.

Eén en ander heeft ook een impact op de investeringsgelden die naar grondstoffen zijn gevloeid. Barclays Bank rekende voor dat de totale instroom in grondstoffen tussen januari en juli 50,8 miljard dollar bedroeg. Dat is de sterkste prestatie in die periode sinds 2009. De totale activa onder beheer in de grondstoffensector bedroegen eind juni 235 miljard dollar, het hoogste cijfer in 13 maanden. Deze toename gaat uiteraard hand in hand met de stijgende prijzen maar er speelt ook nog een andere belangrijke factor. De correlatie tussen de prestatie van de grondstoffen en die van de aandelenmarkten is namelijk flink gedaald. Een concreet gevolg daarvan is dat grondstoffen terug interessant zijn als diversificatie voor aandelen- en ook obligatieportefeuilles.

Indien de trend van de jongste maanden zich ook in de rest van het jaar doorzet, dan wordt 2016 het eerste jaar met hogere investeringsstromen richting grondstoffen sinds 2011. Niet toevallig komt het grootste deel van op rekening van de edelmetalen , die nu instaan voor 54 procent van de totale grondstoffenactiva onder beheer. De edelmetalen worden op ruime afstand gevolgd door energie (24 procent), landbouw (15 procent) en basismetalen (7 procent). De vraag is uiteraard of de stijging zal aanhouden. De trend van de jongste jaren is in die zin enigszins verontrustend. Van 2011 tot en met 2015 leverde de tweede jaarhelft telkens een negatief rendement op voor grondstoffen, zelfs al was het eerste semester in een aantal gevallen positief verlopen voor deze activaklasse. De tweede jaarhelft ging alvast niet echt veelbelovend van start, vooral als gevolg van winstnemingen op de  energiemarkten.

Hoe zijn nu de vooruitzichten voor de komende maanden op de grondstoffenmarkten?Feld_mit_reifer_Baumwolle “Investeringen in grondstoffen nemen voor het eerst in 4 jaar terug toe” verder lezen

Analyse: Japanse yen als safe haven munt?

Op het dashboard van de financiële markten staan slechts 2 knoppen: risk-on en risk-off. Veruit het grootste deel van de tijd zijn de markten in risk-on modus. Risk-off is er enkel bij calamiteiten als (recent) de financiële crisis in 2008, de eurocrisis in 2011 en tussentijdse ‘kleinere’ crisissen (bijv. Griekenland en Brexit). Het is in periodes van risk-off dat de (financiële) media het altijd hebben over ‘safe havens’ of veilige havens. Dat zijn activa waar investeringsgeld naartoe vloeit en tijdelijk geparkeerd wordt in afwachting van de volgende risk-on periode, die meestal niet lang op zich laat wachten.

De Amerikaanse dollar is (via overheidsobligaties) de veilige haven bij uitstek. Dit heeft op zich weinig te maken met de toestand van de Amerikaanse economie op dat moment, maar wel alles met de status van de dollar als wereldreservemunt. Die status maakt dat de markt van dollar schuldpapier de meest liquide ter wereld is en dus de eerste keuze om geld tijdelijk te parkeren.

Goud is eveneens een klassieke veilige haven, alleen kon het gele metaal de jongste jaren die rol meer niet dan wel waarmaken. Dit leert ons althans de evolutie van de goudprijs tussen eind 2011 en begin dit jaar. Dat komt omdat de goudmarkt enerzijds te klein is als toevluchtsoord voor de kapitaalstromen. Anderzijds spelen er nog andere belangen die maken dat de goudprijs niet té snel té hoog mag oplopen om het wankele evenwicht in het monetaire systeem niet te verstoren.

Nog op de valutamarkt vinden we de Zwitserse Frank (CHF) als ‘usual suspect’ onder de veilige havens. Maar ook de CHF is een te kleine markt en bovendien hanteert de Zwitserse centrale bank SNB een actieve interventiepolitiek. Blijft over: de Japanse yen (JPY). Begin juli steeg de JPY naar het hoogste niveau tegenover de Amerikaanse dollar in meer dan 2 jaar. Na de Brexit-stemming koerste de Japanse munt tegenover het Brits pond( GBP) zelfs naar het hoogste peil in bijna 4 jaar.

Dit lijkt bizar, want is Japan met een overheidsschuld die meer dan 200 procent van het bruto binnenlands product  bedraagt niet één van de meest schuldbeladen naties ter wereld? En zit de Japanse economie niet al bijna 3 decennia in het slop, daarbij kreunend onder een aanhoudende deflatie? En is de monetaire politiek van eerste minister Shinzo Abe (het zogenaamde Abenomics) er niet op gericht om de eigen munt te verzwakken om via de exportindustrie de economie terug te doen aantrekken? Allemaal vragen die we positief kunnen beantwoorden.

Maar waarom fungeert de JPY dan wel als veilige haven op de internationale kapitaalmarkten?

1000px-JPY_g.svg

“Analyse: Japanse yen als safe haven munt?” verder lezen

Goud: fysiek vs. papier

Voormalig Federal Reserve voorzitter Ben Bernanke omschreef goud als ‘traditie’. Volgens zijn confrater Alan Greenspan kon goud gelijkgesteld worden aan valuta. John Maynard Keynes had het dan weer over een ‘barbaars relikwie’, al werd later duidelijk dat deze uitspraak over de toen heersende goudstandaard ging en niet over het metaal zelf.

De verschillende omschrijvingen illustreren dat de financiële wereld en dus ook de investeerders niet goed weten wat aan te vangen met goud. De meningen van economen en beleggingsspecialisten over het gele metaal lopen dan ook sterk uiteen, wat vaak tot gevolg heeft dat beleggers door het bos de bomen niet meer zien. We zetten daarom één en ander op een rijtje.

Enerzijds is er de fysieke goudmarkt, die volledig los gezien moet worden van de handel in futures of termijncontracten (niet-fysieke of papieren goudmarkt). Nemen we er het Gold Demand Trends Report van de World Gold Council (http://www.gold.org) bij, dan zien we een jaarlijkse mijnproductie van ongeveer 3000 ton. Daar komt nog eens 1100 ton gerecycleerd goud (scrap) bij, afkomstig van hersmolten juwelen of andere bronnen. Beide componenten samen vormen het fysieke aanbod. Aan de vraagzijde komt het grootste deel van het fysieke goud terecht in de juwelenindustrie. Volgens de prognoses zou het dit jaar gaan om ongeveer 2500 ton. Industriële toepassingen verbruiken jaarlijks zo’n 350 ton, waarvan later dus een deel terugvloeit via recyclage. Dan zijn er de centrale banken, waarvan de netto vraag naar fysiek goud op ongeveer 600 ton zal uitkomen. De investeringsvraag (munten en staven) bedraagt volgens de World Gold Council bij benadering zo’n 1000 ton. Een aantal van deze vraag- en aanbodcomponenten is erg volatiel. Zo is de hoeveelheid aangeboden goud voor recyclage sterk afhankelijk van de prijsevolutie. Hoe lager de prijs, hoe minder scrap. Als gevolg van de fors gedaalde goudprijs werd de voorbije jaren steeds minder geïnvesteerd in uitbreidingsinvesteringen en nieuwe exploratie. De mijnproductie zal daarom in het beste geval eerst stabiliseren en binnen enkele jaren onvermijdelijk afnemen. Aan de vraagzijde is vooral de investeringsvraag erg volatiel. Die component is ook heel moeilijk meetbaar want het is onmogelijk te achterhalen hoeveel goud er van eigenaar wisselt. Het overgrote deel van alle goud dat ooit werd gemijnd, is namelijk nog steeds in omloop. In die zin is goud dan ook een atypische grondstof. Zeker is wel dat de fysieke goudmarkt alleen de prijsbewegingen van het metaal niet kan verklaren.

Over naar de papieren goudmarkt of de handel in termijncontracten en afgeleide producten. De bedoeling van termijnmarkten is enerzijds om een bepaald bedrijfsrisico af te dekken (hedgen). Zo zal bijvoorbeeld een grote chocoladeproducent of een textielfabrikant zich indekken tegen schommelingen in respectievelijk de cacao- en de katoenprijs. Anderzijds zijn er ook financiële partijen of speculanten actief die enkel inspelen op de prijswijzigingen van de onderliggende waarde. In dit geval gaat het dus om goud, maar in feite doet het er niet toe. Het gaat erom dat fysieke levering niet aan de orde is, het gaat enkel om het inspelen op de prijsschommelingen.

De papieren goudmarkt is veel groter dan de fysieke goudmarkt. Op het moment van schrijven waren er op de Comex (grootste beurs voor goudfutures) bijna 300 keer zo veel termijncontracten in omloop als er fysieke voorraden op die beurs beschikbaar waren. Nu zijn er weliswaar tal van verklaringen die deze hoge hefboom nuanceren, maar het is wel een feit dat de markt van papiergoud voor een groot stuk op vertrouwen draait. Vertrouwen dat de papieren beloftes kunnen voldaan worden door de levering van fysiek metaal. Dit vertrouwen geldt overigens ook voor de banksector en bij uitbreiding voor het hele financiële systeem. Vertrouwen in de centrale bankiers is dan weer cruciaal om het financiële systeem overeind te houden. Centrale banken geven met geld een papieren belofte uit. Gebruikers ervan moeten er op vertrouwen dat de monetaire en politieke overheden er zullen in slagen om de koopkracht van dat geld op peil te houden. Dit lijkt misschien evident, maar er zijn in de monetaire geschiedenis tal van voorbeelden waarbij dit niet gelukt is.

Fysiek goud staat de facto buiten het financiële systeem omdat het niet uitgegeven wordt door centrale banken en in tegenstelling tot papiergeld dus ook geen schuldinstrument is. Het kopen van fysiek goud is dus eigenlijk een motie van wantrouwen tegen het financiële systeem. Wie van mening is dat het monetaire experiment van de centrale banken na de crisis van 2008 in een tranendal zal eindigen, kan een bezoek aan de goudhandelaar overwegen. Beleggers die daarentegen overtuigd zijn van de stabiliteit van het monetaire systeem hebben bij fysiek goud niets te zoeken.