OPEC-akkoord: non-event

De OPEC-leden sloten in de marge van het International Energy Forum een akkoord over de beperking van de olieproductie. ‘Hoezo dan een non-event?’ zult u misschien opwerpen, ‘de prijs van een vat ruwe olie is na het nieuws toch met meer dan 6 procent gestegen?’ Exact, maar de (initiële) marktreactie zegt in wezen niets over de impact op het fundamentele plaatje bij ruwe olie. En die impact is zo goed als nihil. Laat ons het nog even uitleggen.

We schreven eerder deze week dat de Saoedi’s hoe dan ook van plan waren om de output te verlagen. Dit omwille van een seizoensgebonden lagere (lokale) vraag en een gebrek aan reserve productiecapaciteit. De Saoedi’s creëren nu heel wat goodwill door het grootste deel van de afgesproken capaciteitsverlaging op zich te nemen. Iets wat hen later nog goed van pas kan komen!

Wat werd er nu eigenlijk beslist? De OPEC-leden hebben de intentie om de productie te beperken tot 32,5 tot 33 miljoen vaten per dag.  De huidige output van het kartel ligt op 33,25 miljoen vaten/dag. Het gaat dus om een reductie van 250000 tot 750000 vaten/dag. No big deal als u het ons vraagt. Zoals u eerder al kon lezen, zullen Libië en Nigeria samen de komende maanden hun output met 800000 vaten/dag verhogen.

Concrete afspraken over wie er hoeveel zal mogen produceren, moeten nog worden gemaakt. Deze zouden dan geformaliseerd worden op OPEC-vergadering van 30 november in Wenen. Iran, Nigeria en Libië lijken alvast vrijgesteld te gaan worden omdat deze landen om uiteenlopende redenen (sancties, sociale onrust, oorlog) nu al onder hun quota zitten. Ook Irak is op dit moment geen vragende partij.

40016143_-_29_09_2016_-_algeria_energy_ief_opec

Blijven over: de Golfstaten (VAE, Qatar, Koeweit) en natuurlijk Saoedi-Arabië zelf. De output van deze laatste zal terugvallen naar het niveau van januari (ongeveer 10,2 miljoen vaten/dag) tegenover nog 10,7 miljoen in juli. Maar dit is dus al lang geen nieuws meer.

“OPEC-akkoord: non-event” verder lezen

International Energy Forum (26-28/9): Doha-bis of toch concreet resultaat?

Op korte termijn staat de nieuwsstroom op de oliemarkt in het teken van het International Energy Forum dat tussen 26 en 28 september in de Algerijnse hoofdstad Algiers plaats vindt. In de marge van die bijeenkomst proberen de olieministers van een aantal belangrijke OPEC-landen en Rusland voor de tweede keer dit jaar tot een akkoord te komen over de gezamenlijke productie.

Het doel daarbij is uiteraard om de overcapaciteit te beperken en sneller terug tot een marktevenwicht te komen. Dit zou dan weer tot hogere olieprijzen en dus stijgende inkomsten voor de producenten leiden.

Vorige week hebben vertegenwoordigers van Saoedi-Arabië, Iran en Qatar elkaar al ontmoet op het hoofdkwartier in Wenen om een gezamenlijke strategie af te spreken. Onenigheid tussen Iran en Saoedi-Arabië was de voornaamste oorzaak van het mislukken van eerdere gesprekken in april in Doha (Qatar).

Voor Iran kon van een productiebeperking geen sprake zijn zolang de output niet op het niveau lag van voor de economische sancties tegen het land. Volgens marktonderzoeker Petrologistics werd dit niveau intussen bereikt. Iran produceerde in augustus 3,7 miljoen vaten ruwe olie per dag.

Wat betreft uitvoer en marktaandeel zit Iran nog niet op het oude niveau. De huidige export van 2,2 miljoen vaten/dag ligt lager dan de 2,5 miljoen van 2010. Het valt dus sterk te betwijfelen of Iran deze keer wel staat te springen voor een vrijwillige productiebeperking.

53b20b7d8f44dcf37a3fd9cd0afaea54_XL

De situatie van Saoedi-Arabië ligt enigszins anders. De Saoedi’s pompten de voorbije zomer aan een recordniveau van 10,7 miljoen vaten/dag ruwe olie op. De beschikbare extra productiecapaciteit is op dit moment sowieso erg klein.

Bovendien zal de lokale vraag de komende maanden afnemen door seizoensgebonden factoren als het minder warme weer (lagere elektriciteitsconsumptie) en het onderhoud bij de raffinaderijen waardoor de vraag naar ruwe olie afneemt. Een productiedaling zou de Saoedi’s dus niet slecht uitkomen. Dat ze daarmee dan ‘het goede voorbeeld’ kunnen geven en de perceptie mee hebben, is leuk meegenomen.

Een lagere output hoeft overigens geen impact te hebben op de uitvoercapaciteit van het Koninkrijk. Saoedi-Arabië exporteert ongeveer 7,6 miljoen vaten/dag. De beschikbare voorraad van 280 miljoen vaten is hoog genoeg om dat niveau ook te handhaven bij een lagere output. Naast Iran en Saoedi-Arabië is er ook nog Irak. Dat land produceert momenteel tussen 4,75  en 5 miljoen vaten/dag en liet al weten niet van plan te zijn om daar al te ver van af te wijken.

Een productiebeperking lijkt ons ook deze keer een brug te ver, maar de kans is wel groot dat er nu wel een gezamenlijke verklaring komt. Zelfs dat laatste was in april nog te hoog gegrepen. Die verklaring zou dan bijvoorbeeld kunnen inhouden dat de OPEC-leden en Rusland er zich bij eventuele nieuwe prijsdalingen wél toe verbinden om de productie vrijwillig te beperken.

2000px-Flag_of_Saudi_Arabia.svg

De actuele situatie op de oliemarkt is niet meer zo nijpend als begin dit jaar. De prijzen zijn sinds het dieptepunt met meer dan 60 procent gestegen en een nieuw marktevenwicht komt stilaan in zicht. Een verwachte toename van de uitvoer in Nigeria en Libië kan dit proces vertragen.

Beide landen kunnen de komende weken het aanbod met meer dan 800000 vaten/dag verhogen. De markt zit daar absoluut niet op te wachten want volgens de meest recente schatting van het Internationaal Energie Agentschap (IEA) bedroeg het globale overaanbod in het derde kwartaal 370000 vaten/dag. Bovendien heeft het IEA ook haar prognose voor de mondiale vraag naar ruwe olie in 2016 verlaagd.

De markt lijkt ook niet echt optimistisch over de vooruitzichten op een vrijwillige productiebeperking want uit cijfers van de Commodity Futures Trading Commission blijkt dat het aantal netto long posities in de meest recente verslagweek flink zijn teruggevallen. Het aantal nieuwe shortposities is dan weer toegenomen.

 

Olie: richting zoeken

De prijs van een vat ruwe olie kampeert al pakweg een half jaar in een vork van 40 tot 50 Amerikaanse dollar. Fundamenteel heeft de markt echter nog steeds geen richting gekozen. Alle bewegingen naar de onderkant én de bovenkant van deze prijsvork worden bepaald door tijdelijke factoren. Zo reageren de marktparticipanten sterk op voorraadcijfers die nadien herzien worden of bepaalde headlines in de media die achteraf niet meer dan ruis blijken te zijn. Allemaal heel leuk voor traders, maar welk scenario maakt nu het meeste kans als we de fundamentele evoluties bekijken?  

Begin dit jaar zakte de olieprijs naar het laagste peil sinds 2003. Het sentiment was toen erg negatief met grootbanken die prijsdoelen onder 20 dollar orakelden. Maar kijk, het zwarte goud veerde sneller dan verwacht terug op. Al in juni werd de kaap van 50 dollar vlotjes gerond, bijna een verdubbeling tegenover de dieptepunten van enkele maanden eerder. De markt anticipeerde met die klim op een sneller herstel van het evenwicht tussen vraag en aanbod. Dit werd aanvankelijk nog voorzien voor volgend jaar maar al snel vooruitgeschoven door enkele onvoorziene evoluties aan de aanbodzijde.

Fast forward naar begin augustus: op dat moment waren de tijdelijke elementen die de drijvende kracht waren achter de prijshausse ofwel weggevallen of was hun impact een stuk minder belangrijk geworden. Gevolg: voor het eerst in 4 maanden viel de olieprijs onder 40 dollar terug. Toen doken opnieuw geruchten op over afspraken tussen de grote producenten om het aanbod te beperken. Al dan niet toevallig op het moment dat iedereen zich na enkele tegenvallende macro-economische begon te positioneren voor een verdere daling.

Sindsdien gaat de aandacht van de markt uit naar het International Energy Forum dat tussen 26 en 28 september in Algerije plaats vindt. In de marge daarvan staat een informele bijeenkomst gepland tussen de belangrijkste OPEC-leden en enkele grote aanbieders die niet tot het kartel behoren, zoals Rusland.  Ten minste, als Iran niet opnieuw dwars gaat liggen zoals in april bij eenzelfde gelegenheid in Doha (Qatar) het geval was.

15806990440_c505c44878_z

Verwacht u alvast aan heel wat media-aandacht en veel speculatie over mogelijke scenario’s. Maar tastbaar resultaat? Ain’t gonna happen! Wie hoopt dat de grote jongens aan de aanbodzijde vrijwillig marktaandeel gaan opgeven, denkt best nog een keer na. De Saoedi’s niet, Iran niet en Rusland al zeker niet. Hou ook in het achterhoofd dat de werkelijke OPEC-productiecijfers consequent boven de officiële quota liggen.

Zo nam het aanbod van het OPEC-kartel in juli toe naar 33,39 miljoen vaten/dag, het hoogste cijfer in 8 jaar. Dit wordt gedeeltelijk gecompenseerd door een lagere output van de niet-OPEC landen. Maar een significante verkrapping van het aanbod zit er dus niet aan te komen.

Een herstel van het marktevenwicht, in eerste instantie, en eventuele deficits, in tweede instantie, zullen dus moeten komen van de vraagzijde. Die kans is reëel, want met name de emerging markets verrassen in positieve zin. Vriend en vijand stonden versteld van de groei van de Chinese olieconsumptie terwijl India dit jaar Japan zal inhalen als de op één na grootste verbruiker van olie ter wereld.

Tegelijk stelde het Internationaal Energie Agentschap (IEA) haar vraagprognoses al een aantal keer opwaarts bij. De instelling gaat voor de tweede jaarhelft nu uit van een globale consumptie van 97 miljoen vaten/dag, ruim 0,5 miljoen vaten meer dan 6 maanden eerder. Het IEA ziet dit cijfer oplopen naar 98 miljoen vaten/dag in de tweede helft van volgend jaar en in 2020 zou zelfs de kaap van 100 miljoen vaten/dag worden overschreden. En wat geeft dat nu voor de verwachtingen m.b.t. de olieprijs?

oil-106913_960_720

“Olie: richting zoeken” verder lezen

China ontvangt G20-top

De bruisende Chinese kuststad Hangzhou heeft de eer om als gastheer op te treden voor een nieuwe G20 top. De leden van deze zogenaamde Groep van 20 vertegenwoordigen gezamenlijk ongeveer 85 procent van het globale bruto binnenlands product. De G20 omvat dus alle economische grootmachten en werd al in 1999 opgericht. De bijeenkomsten van de groep kregen pas sinds 2008 een grote uitstraling en dus ook meer media-aandacht.

De G20 dankt haar upgrade in relevantie in feite aan de financiële crisis. Dit komt omdat de groep eigenlijk werd opgericht om de internationale financiële stabiliteit te bevorderen. Op het hoogtepunt van de financiële crisis (november 2008) kwam er daarom een speciale bijeenkomst waarin gecoördineerde maatregelen werden afgesproken om de markten te stabiliseren.

Naast ongeveer 30 nationale vertegenwoordigers krijgen ook 10 prominenten van verschillende internationale organisaties een zitje rond de tafel. Dit maakt van de G20 momenteel de meest relevante instantie wat overleg over de internationale monetaire situatie betreft. Dit neemt niet weg dat de G20-slotverklaringen vaak uitpuilen van de holle frasen waar vervolgens weinig mee gebeurt, wat overigens het lot is van de meeste internationale bijeenkomsten (praatbarakken).

Of het deze keer anders zal zijn, valt nog af te wachten. Feit is wel dat er verschillende indicaties zijn dat er iets op til is in de wereld van de centrale banken. Onderhand iedereen die enig gewicht in de schaal werpt, is het er intussen over eens dat het monetaire stelsel hoogdringend aan een grondige opknapbeurt toe is. IMF-voorzitster Christine Lagarde nam recent nog de woorden ‘economic reset’ in de mond, wat als statement wel kan tellen.

22648503257_82ee1e0c04_b (1)

Sinds de crisis is er in feite fundamenteel maar weinig veranderd. Sommige problemen zijn zelfs alleen maar erger geworden. Het liquiditeitsprobleem werd aangepakt door de balansen van de centrale banken op te blazen met nieuw gecreëerd geld (lees ook: ‘De onmacht van de centrale banken’). Maar het solvabiliteitsprobleem blijft nog steeds bestaan. De financiële industrie puilt uit van de slechte leningen die eindeloos aan nulrentes geherfinancierd worden.

Kern van het probleem blijft nog steeds dat de financiële economie de reële economie overvleugelt, met alle gevolgen van dien. Ook de uitstaande derivatenposities van de grootbanken zijn tikkende tijdbommen. Eventuele renteverhogingen zijn daarbij de lont aan het kruitvat. Elke verdere monetaire versoepeling (wereldwijd à rato van 180 miljard dollar per maand) heeft als enig doel om de bestaande situatie te bestendigen.

Maar terug naar de G20. De kans is groot dat de violen verder worden gestemd wat een gecoördineerde monetaire politiek betreft. Dit gebeurt eigenlijk nu al, onder aanvoering van het IMF en de Bank of International Settlements (BIS) maar het kan blijkbaar nog altijd beter. Dit kon bijvoorbeeld Japan al ondervinden toen andere G20 leden het land duidelijk maakten dat directe interventies om de JPY te verzwakken niet op prijs werden gesteld.

Daarnaast zijn er ook verschillende indicaties dat er in de (nabije) toekomst een grotere rol zal weggelegd zijn voor de SDR (Special Drawing Rights) of Speciale Trekkingsrechten. SDR werden door het IMF gecreëerd om deel uit te maken van de reserves van de centrale banken. De SDR werden daartoe gekoppeld aan een mandje valuta bestaande uit de Amerikaanse dollar, de euro, de Japanse yen en het Brits pond. Vanaf 30 september komt daar ook de Chinese yuan bij.

SDR worden momenteel als rekeneenheid gebruikt door het IMF. De instelling verstrekt ook leningen in SDR aan hulpbehoevende lidstaten. Deze kunnen dan worden ingeruild in 1 (of meerdere) van de valuta die er deel van uitmaken. Buiten de besloten wereld van de centrale banken ligt dus niemand echt wakker van SDR. Maar het is niet langer ondenkbaar dat dit binnenkort zal veranderen. In één van de volgende bijdragen voor geregistreerde gebruikers gaan we wat dieper in op deze SDR en het belang van de opname van de Chinese munt in het mandje.

De (on)macht van de centrale bankiers

We formuleren enkele bedenkingen in de marge van het Jackson Hole evenement, de sterk gemediatiseerde jaarlijkse hoogmis van centrale bankiers in het gelijknamige stadje in de Amerikaanse staat Wyoming.

Er is sinds het uitbreken van de financiële crisis in 2007/2008 al veel gezegd en geschreven over het optreden van de centrale banken wereldwijd. Na het veelbesproken faillissement van Lehman Brothers op 15 september 2008 hebben alle centrale banken gezamenlijk al 659 renteverlagingen doorgevoerd. Op het vlak van kwantitatieve versoepeling (QE of ‘vers geld’) staat de teller op een schier onvoorstelbare 12300 miljard of 12,3 biljoen Amerikaanse dollar!

Daarbij worden alle registers opengetrokken. Naast het rente-instrument kregen centrale bankiers ook andere middelen ter beschikking. De inkoop van obligaties en andere activa, tot voor enkele jaren nog ondenkbaar, is intussen wijdverspreid. Dit is ook het geval met negatieve rentevoeten. Wat startte als een ‘tijdelijk fenomeen’ heeft zich intussen als een olievlek uitgebreid. Verschillende industrielanden lenen tot middellange looptijden gratis. Intussen noteert ongeveer een derde van de uitstaande overheidsschulden met een negatieve rentevoet. Het is belangrijk om aan te stippen dat de omvang van de stimuli nooit eerder zo groot was terwijl ook de rente zich op een historisch dieptepunt bevindt. De term ‘monetair experiment’ gebruiken, is daarom absoluut niet overdreven.

De resultaten van deze politiek zijn, gezien de omvang van de genomen maatregelen, erg mager. De Wereldbank stelde recent de groeiprognoses voor de wereldeconomie neerwaarts bij naar minder dan 2 procent. In de industrielanden zou het gemiddelde groeicijfer zelfs maar op 1,7 procent uitkomen. Ook de inflatiecijfers komen consequent onder de doelstellingen uit. Naar buiten toe spreken de centrale banken consequent de intentie uit om hun politiek de komende jaren terug te ‘normaliseren’. Dit zou dan impliceren dat de kwantitatieve versoepeling wordt teruggedraaid (aangekochte obligaties op vervaldag niet langer herinvesteren) en de rente terug wordt verhoogd. In de praktijk komt daar weinig van in huis. Wereldwijd wordt nog steeds voor 180 miljard dollar per maand (!) aan activa opgekocht.

7400705710_97fa3905e8_b

Ook wat de aangekondigde rentestijgingen betreft, is het ‘veel show maar no go’. Na meer dan 2 jaar palaveren over ‘tapering’ verhoogde de Federal Reserve eind vorig jaar voor het eerst in 9 jaar de rente met 25 basispunten. Bij de start van 2016 was er nog een ruime consensus dat er dit jaar nog 4 zouden volgen. 2016 is intussen al ruim over de helft en er is nog altijd geen renteverhoging geweest. Bij elke monetaire vergadering wordt warm en koud geblazen en is er altijd wel een excuus om de rente niet te verhogen: een tegenvallend arbeidsmarktrapport, de Brexit-stemming,…Samengevat: de normalisering van de monetaire politiek is nog niet voor morgen en zelfs niet voor overmorgen. De zwakke economie en de schuldbeladen overheden, gezinnen en bedrijven kunnen op dit moment eenvoudigweg geen hogere rentes verdragen.

Eigen aan monetaire experimenten is dat niemand precies weet hoe deze zullen aflopen. Gevolgen zullen er hoe dan ook zijn, al kunnen deze momenteel moeilijk worden ingeschat. Nu al is duidelijk dat iedereen die moet leven van rente-inkomsten langzaam maar zeker ‘droog’ valt. Dit geldt niet alleen voor renteniers maar ook voor institutionele beleggers als pensioenfondsen die de wettelijke verplichting hebben om te investeren in overheidspapier, dat op dit moment dus met een negatieve rente noteert. Het wordt bijgevolg steeds moeilijker voor die partijen om aan hun verplichtingen op het vlak van gewaarborgde rendementen te kunnen voldoen.

Anderzijds is er wél inflatie op het vlak van de activaprijzen. Het gratis geld van de centrale banken stroomt in hoofdzaak naar de financiële markten. Daar zijn de beurswaarderingen intussen flink opgelopen. Bijkomend wordt de markt van (bedrijfs)obligaties helemaal ontwricht door de centrale bankiers die de prijzen de hoogte injagen en de rendementen of yields naar omlaag.

Zahlungsmittel

Hoe moet het nu verder? De opdracht van de Europese Centrale Bank is om te waken over de prijsstabiliteit in de eurozone. Dit wordt gedefinieerd als een inflatiepercentage van op of dichtbij 2 procent. De Federal Reserve heeft een dubbel mandaat. Naast prijsstabiliteit streeft de Fed ook naar optimale werkgelegenheid en bij uitbreiding economische groei. Vanuit die optiek (hun mandaat) zijn de maatregelen van de centrale banken verdedigbaar. Maar centrale bankiers alleen kunnen een scheefgegroeid en schuldbeladen systeem niet op hun eentje uit het slop trekken.

De realiteit is dat de monetaire politiek op dit moment geen extra groei kan creëren. Meer zelfs, ze staan machteloos.

“De (on)macht van de centrale bankiers” verder lezen