Soft commodities: cacao

We hebben een ‘boontje’ voor soft commodities en dat mag u in bepaalde gevallen zelfs letterlijk nemen. De meeste investeerders en ook de mainstream financiële pers laten deze categorie links liggen.

Bijzonder jammer, want er dienen zich regelmatig interessante opportuniteiten aan voor wie de moeite doet om de soft commodities op te volgen. De prijsvorming wordt er nog grotendeels bepaald door vraag- en aanbodfactoren en voorraadevoluties.

Van ondoorzichtige transacties (schaduwbankieren d.m.v. financieringsovereenkomsten), niet gerapporteerde voorraden, scheeftrekkingen door speculatie met termijncontracten en andere manipulaties is nauwelijks sprake. Dit is, bijvoorbeeld, bij de (edel)metalen wel enigszins anders…

Met een verlies van 34 procent was cacao vorig jaar de gebeten hond bij de soft commodities. Begin januari daalde de prijs naar het laagste niveau in bijna 4 jaar. De globale cacaomarkt heeft een omvang van ongeveer 4,4 miljoen ton.

Het aanbod is geografisch sterk geconcentreerd en dit komt omdat cacaobomen enkel groeien op een breedtegraad van 10 graden rond de evenaar. Ongeveer 70 procent van de vruchten van de cacaoboom zijn afkomstig uit West-Afrika (Ivoorkust, Ghana en Nigeria). Indonesië en Ecuador zijn andere noemenswaardige aanbieders.

Cacaobonen rijpen het hele jaar door met een piek in de oogsten tussen oktober en maart. Tussen mei en augustus ligt de opbrengst lager maar dit verschilt sterk van regio tot regio. Ook de politieke situatie in Ivoorkust kan soms voor flinke prijsschommelingen zorgen.

cacao2011_2016

De strikte klimatologische eisen  (warm en vochtig) maken dat het succes van de oogsten sterk afhankelijk zijn van de weersomstandigheden. Zo is een langdurige droogte rampzalig voor de opbrengst. De aanbodzijde is erg gefragmenteerd met een groot aantal kleine landbouwbedrijven. Daardoor kampt de sector met chronische onderinvesteringen. De oogsten zijn dan ook erg wisselvallig.

Cacaobonen worden verwerkt tot cacaoboter en cacaopoeder. Die verwerking gebeurt bij gebrek aan infrastructuur voor het grootste deel buiten de producerende landen. Belangrijkste afnemers zijn de voedings- en de cosmeticasector.

Overal ter wereld maar met name in Azië neemt de consumptie van cacao toe. Zo bedraagt het gemiddelde cacaoverbruik per jaar en per inwoner in China amper 50 gram tegenover 2,2 kilogram in Europa.

Londen is nog steeds de belangrijkste handelsmarkt voor termijncontracten op cacao maar er is ook een notering in dollar. Na de overname van Euronext Liffe noteren de contracten op de ICE Futures beurs. De prijs staat onder druk door het zwakke pond en de goede oogsten van 2016. Ook voor dit jaar gaat de consensus uit van hoge opbrengsten.

ICE-Futures-Europe-logo

We menen dat cacao aan een bodemvorming bezig is. Een belangrijke sentimentindicator noteert momenteel op het laagste peil sinds december 2000. Op korte termijn is een verdere daling niet helemaal uitgesloten maar het neerwaartse prijsrisico is vanaf het huidige prijsniveau beperkt.

Beleggers die in termijncontracten op cacao wil investeren, kunnen dit doen via trackers of hefboomproducten (turbo’s en aanverwante). De meeste uitgevers van hefboomproducten hebben de jongste jaren  om uiteenlopende redenen hun aanbod aan termijncontracten op soft commodities geschrapt of sterk afgebouwd. Toch zijn er nog een aantal alternatieven die we hierna zullen bespreken.


“Soft commodities: cacao” verder lezen

Risico’s voor de grondstoffenmarkten in 2017

Elk jaar heeft verrassingen in petto maar in 2016 was het verschil tussen verwachtingen en realiteit vaak wel heel erg groot. Wie vorig jaar een overwinning van het Brexit-kamp, de verkiezing van Donald Trump als nieuwe Amerikaanse president of een kwartfinale voor IJsland op het Europees kampioenschap voetbal durfde te voorspellen, werd meer dan waarschijnlijk in een dwangbuis afgevoerd.

Ook de grondstoffenmarkten kregen hun deel. Het OPEC-kartel verlaagde voor het eerst in bijna 10 jaar de productie terwijl de edelmetaalprijzen in de tweede jaarhelft vreemde bokkensprongen maakten. De Trump-rally liet dan weer de prijzen van de basismetalen de hoogte inschieten.

Per saldo was 2016 wel een vrij goed jaar voor de grondstoffen met op indexniveau (S&P GSCI, Bloomberg Commodity index,…) de eerste stijging sinds 2010.

Het nieuwe jaar werd alvast goed ingezet en verschillende analisten lieten zich ook positief uit  voor de grondstoffenmarkten in 2017. Het voornaamste argument daarvoor is het ontstaan van een reflatie-scenario waarbij investeringen in infrastructuur zowel in de Verenigde Staten (Trump’s ‘America First’ politiek) als in China de vraag naar grondstoffen zullen doen toenemen.

Toch zien we voor 2017 minstens even veel ruimte voor verrassingen als vorig jaar. Daar zijn verschillende aanleidingen toe. Een eerste is China, dat voor veel grondstoffen zowel aan de vraag- als aan de aanbodzijde een cruciale rol blijft spelen. Een jaar geleden werd nog voor een harde landing van de Chinese economie gevreesd maar die kwam er niet. China schakelde integendeel een versnelling hoger wat investeringen betreft en daar kon met name de bouw- en vastgoedindustrie het sterkst van profiteren.

Dit vertaalde zich in onverwacht forse prijsstijgingen bij onder meer staal en ijzererts.

China debt iif_0

Maar de aanhoudende monetaire en economische stimuli hebben ook hun prijs. De gecombineerde Chinese schuld (privaat, overheid en bedrijven) zal dit jaar de kaap van 300 procent van het bruto binnenlands product bereiken.

Die hoge schulden vormen de achilleshiel van het Chinese economische model. Daarbij zijn de eerder vernoemde sectoren en gerelateerde grondstoffen het meest kwetsbaar voor oververhitting. Protectionistische maatregelen kunnen eveneens de Chinese groei ontwrichten. Donald Trump had het al over invoerheffingen tot 45 procent op Chinese producten. Ook andere protectionistische maatregelen zoals de Europese heffingen op Chinees staal kunnen potentieel een handelsoorlog ontketenen.

Daarbij zijn op de langere termijn geen winnaars maar enkel verliezers. Het risico op de gevreesde harde landing is dus niet helemaal van de baan. Het is erg onwaarschijnlijk dat de grondstoffen er in dergelijk scenario ongeschonden uit zullen komen.

Naast China zijn de talrijke geopolitieke conflicten waar de wereld in 2017 mee geconfronteerd wordt een andere belangrijke risicofactor. Het zijn er te veel om op te noemen, maar elk afzonderlijk kunnen ze het marktevenwicht bij 1 of meerdere grondstoffen op (heel) korte termijn verstoren.

“Risico’s voor de grondstoffenmarkten in 2017” verder lezen

Opnieuw een verloren jaar voor goud?

Het jaar was nochtans goed begonnen voor goud. Het gele metaal ging 2016 in op het laagste niveau in bijna 6 jaar om vervolgens tussen januari en juli bijna 30 procent duurder te worden. Een mooie remonte, nadat zowel 2013, 2014 als 2015 met een negatief rendement (in Amerikaanse dollar) werden afgesloten. Fast forward naar eind december en er blijft een mager rendement van 7 procent over.

Aan verklaringen geen gebrek: de duurdere dollar, het marktsentiment, een aantrekkende rente onder invloed van (gefabriceerde) groeiverwachtingen (Trumponomics),… Maar elke zichzelf respecterende analist moet durven toegeven dat er anno 2017 geen enkel houvast meer is op de financiële markten. Van enige normale marktwerking is nog amper sprake.

De obligatiemarkten werden jarenlang kunstmatig opgepookt door de obligatie-aankopen van de centrale banken. Deze politiek liet de rentevoeten naar historische dieptepunten terugvallen. Dit had dan weer een impact op de waarderingsmodellen waar de rente een cruciale parameter is.

Maar rentevoeten worden verondersteld om groei- , inflatie- en risicoverwachtingen te weerspiegelen. Door massaal obligaties op te kopen en dus de rente omlaag te manipuleren, komt er ruis op dit signaal.

Vervalste parameters maken waarderingsmodellen per definitie waarde-loos.

De op één na langste bull-market in aandelen is een ander neveneffect van de politiek van centrale bankiers. Hoge beursindexen hebben daarbij ook de functie van vertrouwensbarometer. Een hoge barometerstand  moet dan aangeven dat alles ook in de reële economie rozengeur en maneschijn is.

MW-FC146_Commod_20161215153003_NS

Terug naar goud. Daar manifesteert het gebrek aan houvast zich in het feit dat alle historische correlaties met de voeten worden getreden. Zo is de reële rente, een cruciale parameter voor een niet-rentedragend actief als goud, jarenlang negatief geweest. Een omgeving die in theorie uitermate gunstig zou moeten zijn voor het edelmetaal. Toch noteert goud nu 40 procent lager dan in 2011.

Nog een andere: ‘goud is een safe-haven belegging’. Dit klopt nu eens wel en dan weer niet. Kort na de gevreesde Brexit piekte de goudprijs op het hoogste niveau in bijna 2 jaar. Maar die winst werd dus niet vastgehouden. Idem met het Trump-verhaal: vooraf voorspelden de meeste analisten dalende beurskoersen en een oplopende goudprijs in het geval van een Trump-overwinning.

Het omgekeerde gebeurde: sinds de verkiezingsnacht van 8 november dook de goudprijs al meer dan 200 dollar lager. Daarop maakten de investeringsbanken, post factum, een bocht van 180 graden en stelden hun prijsprognoses neerwaarts bij. Men kan zich afvragen of er ooit al meer redenen zijn geweest om zich in te dekken tegen (financiële) calamiteiten. Wellicht niet. En toch kost een troy ounce goud nu 40 procent minder dan in 2011.  

Trump-card-800x430

We herinneren nogmaals aan het fundamentele verschil tussen elektronisch goud (goudpapier) en fysiek goud. Is dit niet helemaal duidelijk, dan raden we aan om deze tekst nog eens te (her)lezen. Het geschuif met fysiek goud tussen de centrale banken heeft op zich weinig te maken met de (elektronische) handel in termijncontracten.

Dit geldt ook voor de verschuiving van het zwaartepunt in de fysieke goudmarkt van het westen naar het oosten die al ruim een decennium aan de gang is. Noteer in dit verband ook de intrede van de Chinese yuan in de SDR in oktober. Een totale hertekening van de architectuur van het monetaire systeem lijkt nog niet voor morgen. Al kun je dit in feite nooit écht zeker weten.

Het is voor investeerders cruciaal om te onthouden dat papiergoud op dit moment niet meer is dan een instrument om te traden en om posities in te dekken. Papiergoud verschilt in dit opzicht in niets van andere valuta waarmee long en/of short-scenario’s worden opgezet.

Dit impliceert, bij gebrek aan houvast, dat het met de prijs alle richtingen uit kan. Zolang de vertrouwensbarometers (beursindexen) op mooi weer staan en het marktsentiment tegenover goud op onweer, is er geen behoefte aan een safe-haven. Er zijn anderzijds ook genoeg scenario’s te bedenken waarin dit wel het geval is.

“Opnieuw een verloren jaar voor goud?” verder lezen

OPEC: missie geslaagd!

Perceptie is alles op de financiële markten. Dit is op zich geen nieuws maar bepaalde marktreacties, en dan met name de uitleg die er wordt aan gegeven, blijven toch keer op keer verbazen.

Zo lazen we in de dagelijkse nieuwsbrief van een Belgische online broker dat de prijsstijging “alles te maken heeft met Saoedi-Arabië dat liet uitschijnen dat het land mogelijks de olieproductie sterker zou terugschroeven dan het eerder bereikte akkoord tussen de OPEC-leden”.

Dit bericht werd meer dan waarschijnlijk klakkeloos nagekwaakt van financiële nieuwsagentschappen (wat echter niet automatisch betekent dat het ook correct is).

In dit geval klopt de uitleg zelfs totaal niet. We leggen het u uit.

w645

In het akkoord van Wenen werd eind vorige maand door de OPEC-leden een productiedaling met 1,2 miljoen vaten/dag vastgelegd. Als referentie wordt de output van oktober gebruikt.

Sindsdien leerden we 1) dat de productiecijfers van oktober opwaarts werden bijgesteld en 2) dat de voorlopige cijfers van november bijkomend een verdere toename van de output richting 34,2 miljoen vaten laten zien.

De toename komt voor het grootste deel op rekening van Saoedi-Arabië, waar de output in november klom naar 10,72 miljoen vaten per dag en daarmee het vorige record van juli aan flarden schoot.

Het referentieniveau  werd dus verhoogd door, nog voor het akkoord in werking treedt, nog eens volop alle kranen wijd open te draaien.

Het is dus evident dat de Saoedi’s vanaf het actuele productieniveau meer zullen moeten ‘cutten’ dan ze eind vorige maand meegaven. Alleen is de interpretatie van die mededeling door bepaalde media en ‘analisten’ nogal dubieus.

Van een bijkomende productiedaling is hoegenaamd geen sprake. De target vanaf januari blijft namelijk ongewijzigd op 32,6 tot 32,7 miljoen vaten.

Maar het beoogde doel werd alvast bereikt: een vat ruwe olie werd in minder dan 2 weken 20 procent duurder. Dat compenseert ruimschoots een reductie met amper 2 procent van het globale aanbod.

Het valt overigens nog af te wachten hoe strikt de beperkingen zullen worden nageleefd en hoe grote aanbieders die totaal niet gebonden zijn door dit akkoord (bijv. de VS) zullen reageren.

wti_feb16_12dec

We verwijzen in dit verband naar het aantal operationele boorplatformen in de Verenigde Staten. Die zijn opnieuw toegenomen naar het hoogste niveau in bijna een jaar. U mag één keer raden welke richting de Amerikaanse olieproductie volgend jaar zal uitgaan.

We gaven eerder al aan dat ruwe olie zich in een trading range bevindt. Daarbij  zijn undershoots richting 40 tot 45 dollar en overshoots richting 55 tot 60 dollar perfect normaal. Er is dus voorlopig geen enkele fundamentele reden om ineens extreem positief te worden rond ruwe olie.

Er is overigens wel goed nieuws voor wie direct of indirect (via hefboomproducten) in termijncontracten op ruwe olie investeert. Samen met de recente prijsstijging is de prijscurve van de termijncontracten een stuk minder steil geworden. Anders gezegd: de prijsverschillen tussen de contractmaanden zijn afgenomen.

De markt blijft wel nog steeds in contango waarbij latere termijncontracten duurder zijn. Dit is typisch het geval bij een aanbodoverschot en/of hoge voorraden. De geplande productieverlagingen zullen, indien consequent doorgevoerd, de voorraden doen dalen (in de veronderstelling dat ook alle overige parameters gelijk blijven).

Handelaren anticiperen daar op door de prijsverschillen te laten dalen en de markt uiteindelijk richting backwardation te laten evolueren. Daarbij moet er een premie worden betaald voor onmiddellijke levering en zijn latere termijncontracten goedkoper. Deze situatie is typisch bij een deficit of bij een krappe markt met lage voorraadniveaus.

Het goede nieuws is dat de roll yield of de kost van het doorrollen van termijncontracten daalt bij een minder steile prijscurve. Dit is gunstig voor wie posities langer wenst aan te houden.

 

25 jaar Verdrag van Maastricht: (n)iets te vieren?

Het is vandaag precies 25 jaar geleden dat vooraanstaande Europese staatshoofden en regeringsleiders in Nederlands-Limburg samen kwamen om de euro in te voeren: een Europese eenheidsmunt, beheerd door een nieuw op te richten centrale bank, de ECB.

De geboorte van de euro paste in het proces van Europese integratie dat na het einde van de Tweede Wereldoorlog van start ging en waar nu ook een monetair en indirect ook politiek luik aan werd gekoppeld.

De achterliggende gedachte was dat het wegvallen van wisselkoersverschillen voor een grotere stabiliteit en meer economische groei zou zorgen. De Europese Unie zou met een eenheidsmunt globaal ook economisch en politiek meer aanzien moeten krijgen. De euro werd in 1999 al als rekeneenheid ingevoerd (giraal) voor de landen uit de eurozone.  Biljetten en munten kwamen pas op 1 januari 2002 in omloop.

f9a64c1e9a8adb7d1821e19bc88b6280bWFhc3RyaWNodF80MDQ2MjdhLmpwZw==.jpg_500x500

Een eenheidsmunt impliceert een zekere mate van gemeenschappelijk economisch beleid. Daarbij hoort ook begrotings- en schulddiscipline want muntdevaluatie kan niet langer worden gebruikt om de concurrentiekracht te verbeteren.

Met die discipline ging het al vanaf het begin mis. Het zogenaamde Stabiliteits- en Groeipact legde een aantal criteria vast die echter al heel snel met de voeten werden getreden. Dit gebeurde lang niet alleen door de zuiderse eurolanden. Meer zelfs, het niet volgen van de regels door met name Duitsland en Frankrijk in 2003 was het signaal voor verschillende andere landen om àlle discipline te laten varen.

Het grote probleem is dat de Maastricht-criteria op geen enkel moment afdwingbaar zijn, met alle gevolgen van dien. Er is officieel een boetesysteem voorzien maar de Europese Commissie toont zich op dat vlak erg laks.

Griekenland had op een bepaald moment zelfs een begrotingstekort van 15 procent. Eerder dit jaar verzuimde de Commissie om boetes op te leggen aan Spanje en Portugal. Recent werd ook de Italiaanse begroting bijzonder mild beoordeeld. Het gevolg is dat de Maastricht-criteria en tegelijk ook de euro als munt hun geloofwaardigheid verloren hebben.

De jongste jaren sleept de Europese eenheidsmunt zich van crisis naar crisis en er is niet meteen een einde in zicht. Met verkiezingen en/of referenda in Italïë, Nederland, Frankrijk en Duitsland zit 2017 bovendien bomvol met nieuwe crisis-triggers.

De omvang van de ECB-balans is sinds het uitbreken van de crisis verdrievoudigd! Het programma van kwantitatieve versoepeling (QE) dat in het tweede kwartaal van start ging in de Eurozone deed het balanstotaal oplopen naar bijna 120 procent van het bruto binnenlands product. Aan het huidige tempo zal de ECB-balans in 2017 groter worden dan die van de Amerikaanse Federal Reserve.

HF comp

Voor de reële economie zet het allemaal weinig tot geen zoden aan de dijk. Het is daarom niet de vraag of maar wel wanneer de Europese monetaire autoriteiten zullen starten met ‘helikoptergeld’. Daarbij wordt het laatste greintje discipline overboord gegooid en geven nationale lidstaten volop schulden uit die door de ECB zelf worden opgekocht.

Dit wordt momenteel nog formeel verboden door het beruchte Artikel 123 van het Verdrag van Lissabon. Ondanks sterke tegenstand van monetaire hardliners als Bundesbank-voorzitter Jens Weidemann en de Duitse Minister van Financiën Wolfgang Schaüble wordt dit verbod nu al omzeild: schuldpapier wordt via een omweg aangekocht op de secundaire markt (wat enkel technisch een verschil maakt met een primaire aankoop) en de criteria van schuldpapier om als onderpand te mogen dienen worden steeds verder versoepeld.

Nationale regeringen gebruiken het geld vervolgens om aan zogenaamde fiscale stimuli te doen. Anders gesteld: er wordt geld uitgedeeld om te consumeren. Op korte termijn kan het feest niet op, maar wat volgt is onvermijdelijk inflatie die helemaal los gaat.

Anders gesteld: de koopkracht van de euro zal op dat moment sterk devalueren. Valt er dus iets te vieren? Zegt u het mij maar!